Deel deze pagina:
Tegenwoordig lijkt verveling bijna een storing. Zodra er vijf seconden niets gebeurt, grijpen we naar onze telefoon. In de wachtkamer, bij een rood verkeerslicht, in de trein, op de bank. Alsof we bang zijn dat er iets verschrikkelijks gebeurt als we even niet geprikkeld worden. Misschien zijn we wel een beetje verslaafd geraakt aan bezig zijn. En ik herken het bij mezelf. Ik kan op een vrije avond op de bank zitten en mezelf na een paar minuten betrappen op de gedachte: Ik zou eigenlijk nog… Dat woordje “eigenlijk” is gevaarlijk. “Ik zou eigenlijk nog even de keuken kunnen opruimen.” “Ik moet eigenlijk nog wat mails beantwoorden.” “Ik kan eigenlijk ook nog even sporten.” “Ik zou eigenlijk…” En voor je het weet is je vrije avond veranderd in een soort onbetaalde nachtdienst. Daarom probeer ik mezelf tegenwoordig iets vaker toe te staan om niks te doen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Niks doen blijkt namelijk een vaardigheid. Je moet het bijna opnieuw leren. Een beetje zitten. Koffie drinken. Naar buiten kijken. Een muziekje aan. Misschien een kaarsje. Geen scherm. Geen agenda. Geen doel. En vooral: geen schuldgevoel. Want waarom vinden we het eigenlijk zo moeilijk om tijd te besteden aan iets waar we niets mee bereiken? We leven nogal in een wereld waarin bijna alles een doel moet hebben. We willen efficiënter werken, sneller reizen, gezonder leven, meer sporten, meer zien, meer beleven en het liefst ook nog alles vastleggen voor Instagram. Zelfs vakantie moet tegenwoordig efficiënt. Tien dagen weg? Dan moeten we natuurlijk wel iets zien. Een lijstje maken. Restaurants reserveren. Activiteiten plannen. En vooral voorkomen dat we “te veel tijd verspillen”. Terwijl dat misschien wel precies is waar vakantie voor bedoeld is. Tijd verspillen. Of beter gezegd: tijd die nergens heen hoeft.
De eerste keer voelde het bijna ongemakkelijk. De tweede keer iets minder. En inmiddels begin ik er zowaar plezier in te krijgen. Al moet ik toegeven dat het nog niet helemaal vlekkeloos gaat. Zo zat ik laatst heerlijk op de bank, met een kop koffie, telefoon weggelegd en werkelijk niets op de planning. Na ongeveer zeven minuten dacht ik: Misschien moet ik toch even kijken of er nog mail is. Ik heb mijn telefoon gepakt. Even gekeken. En hem daarna weer weggelegd. Kijk, zo wordt het natuurlijk nooit wat. Maar ik blijf oefenen.
Dus mocht u mij binnenkort ergens zien zitten zonder telefoon, agenda of zichtbaar doel: geen zorgen. Ik ben niet verdwaald. Ik ben niet vergeten wat ik moet doen. Ik ben gewoon aan het oefenen met niks doen. En misschien moet u dat ook eens proberen. Het is gratis, u hoeft er geen afspraak voor te maken en u hoeft er zelfs de deur niet voor uit. Maar pas op: het kan zomaar blijken dat het één van de nuttigste dingen is die u die dag gedaan heeft.
Ik merk dat juist de momenten waarop niets bijzonders gebeurt, soms de momenten zijn die je het meest bijblijven. Een wandeling zonder bestemming. Een gesprek dat nergens over hoeft te gaan. Gewoon op de bank zitten. Een beetje kletsen. Lachen om iets heel onbenulligs. Daar zit misschien wel meer waarde in dan we denken. We hoeven niet iedere minuut te vullen. Niet iedere dag hoeft productief te zijn. Niet ieder moment hoeft een herinnering voor later op te leveren. Soms mag een moment gewoon een moment zijn.
Misschien is dat ook wel iets wat we elkaar wat vaker mogen gunnen. We leggen onszelf behoorlijk veel druk op. Altijd bereikbaar zijn. Altijd presteren. Altijd doorgaan. En als we dan eindelijk niets hoeven, voelen we ons bijna verplicht om daar óók iets van te maken. Dus heb ik mezelf een nieuwe uitdaging gegeven. Niks doen. Niet als onderdeel van een mindfulness-app. Niet met een ingewikkelde ademhalingstechniek. Niet met een timer van twintig minuten. Gewoon niks.
Of, mijn persoonlijke favoriet: mijn telefoon pakken om vervolgens twintig minuten lang niets anders te doen dan door filmpjes scrollen waarvan ik drie seconden later alweer vergeten ben wat ik gezien heb. Dat noemen we dan ontspanning.
Vroeger was dat toch anders. Als kind kon je volgens mij moeiteloos een middag niks doen. Je kon uren buiten spelen, op de bank hangen, uit het raam kijken of met iets bezig zijn waarvan je vooraf niet eens wist wat het precies was. Er hoefde geen doel te zijn. Er hoefde geen resultaat te zijn. En niemand maakte zich zorgen over de vraag of die tijd wel “nuttig besteed” werd. Sterker nog: als kind was verveling soms het begin van de leukste dingen.
Met werk, een volle agenda en alles wat er thuis en daarbuiten geregeld moet worden, zijn mijn dagen meestal behoorlijk goed gevuld. Een afspraak, een telefoontje, een mailtje, iets wat nog af moet, een boodschap, sporten, thuis nog wat doen. En als er dan ergens een lege plek in de agenda ontstaat, voelt dat al snel als een uitnodiging om er iets in te zetten.
Een lege plek moet tenslotte wel nuttig worden besteed. En als er dan eindelijk een moment komt waarop er niets hoeft, gebeurt er iets geks. Dan ga ik bedenken wat ik allemaal nog zou kunnen doen. Even opruimen. De vaatwasser uitruimen. Een mail beantwoorden. De administratie bijwerken. De tuin in. Sporten. Boodschappen doen.
Ik ben er de laatste tijd achter gekomen dat ik iets verleerd ben. Iets wat vroeger volkomen normaal was, maar waar ik tegenwoordig bijna een beetje moeite mee heb: niks doen.
En dan bedoel ik ook echt niks. Niet “even niks doen” terwijl je ondertussen op je telefoon kijkt. Niet “lekker rustig aan doen” terwijl je ondertussen de wasmachine aanzet, drie mails beantwoordt en nog snel iets opzoekt. Nee. Gewoon zitten. Kijken. Denken. Of eigenlijk: niet eens denken. Dat blijkt verrassend moeilijk.
De eerste keer voelde het bijna ongemakkelijk. De tweede keer iets minder. En inmiddels begin ik er zowaar plezier in te krijgen. Al moet ik toegeven dat het nog niet helemaal vlekkeloos gaat. Zo zat ik laatst heerlijk op de bank, met een kop koffie, telefoon weggelegd en werkelijk niets op de planning. Na ongeveer zeven minuten dacht ik: Misschien moet ik toch even kijken of er nog mail is. Ik heb mijn telefoon gepakt. Even gekeken. En hem daarna weer weggelegd. Kijk, zo wordt het natuurlijk nooit wat. Maar ik blijf oefenen.
Dus mocht u mij binnenkort ergens zien zitten zonder telefoon, agenda of zichtbaar doel: geen zorgen. Ik ben niet verdwaald. Ik ben niet vergeten wat ik moet doen. Ik ben gewoon aan het oefenen met niks doen. En misschien moet u dat ook eens proberen. Het is gratis, u hoeft er geen afspraak voor te maken en u hoeft er zelfs de deur niet voor uit. Maar pas op: het kan zomaar blijken dat het één van de nuttigste dingen is die u die dag gedaan heeft.
Tegenwoordig lijkt verveling bijna een storing. Zodra er vijf seconden niets gebeurt, grijpen we naar onze telefoon. In de wachtkamer, bij een rood verkeerslicht, in de trein, op de bank. Alsof we bang zijn dat er iets verschrikkelijks gebeurt als we even niet geprikkeld worden. Misschien zijn we wel een beetje verslaafd geraakt aan bezig zijn. En ik herken het bij mezelf. Ik kan op een vrije avond op de bank zitten en mezelf na een paar minuten betrappen op de gedachte: Ik zou eigenlijk nog… Dat woordje “eigenlijk” is gevaarlijk. “Ik zou eigenlijk nog even de keuken kunnen opruimen.” “Ik moet eigenlijk nog wat mails beantwoorden.” “Ik kan eigenlijk ook nog even sporten.” “Ik zou eigenlijk…” En voor je het weet is je vrije avond veranderd in een soort onbetaalde nachtdienst. Daarom probeer ik mezelf tegenwoordig iets vaker toe te staan om niks te doen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Niks doen blijkt namelijk een vaardigheid. Je moet het bijna opnieuw leren. Een beetje zitten. Koffie drinken. Naar buiten kijken. Een muziekje aan. Misschien een kaarsje. Geen scherm. Geen agenda. Geen doel. En vooral: geen schuldgevoel. Want waarom vinden we het eigenlijk zo moeilijk om tijd te besteden aan iets waar we niets mee bereiken? We leven nogal in een wereld waarin bijna alles een doel moet hebben. We willen efficiënter werken, sneller reizen, gezonder leven, meer sporten, meer zien, meer beleven en het liefst ook nog alles vastleggen voor Instagram. Zelfs vakantie moet tegenwoordig efficiënt. Tien dagen weg? Dan moeten we natuurlijk wel iets zien. Een lijstje maken. Restaurants reserveren. Activiteiten plannen. En vooral voorkomen dat we “te veel tijd verspillen”. Terwijl dat misschien wel precies is waar vakantie voor bedoeld is. Tijd verspillen. Of beter gezegd: tijd die nergens heen hoeft.
Ik merk dat juist de momenten waarop niets bijzonders gebeurt, soms de momenten zijn die je het meest bijblijven. Een wandeling zonder bestemming. Een gesprek dat nergens over hoeft te gaan. Gewoon op de bank zitten. Een beetje kletsen. Lachen om iets heel onbenulligs. Daar zit misschien wel meer waarde in dan we denken. We hoeven niet iedere minuut te vullen. Niet iedere dag hoeft productief te zijn. Niet ieder moment hoeft een herinnering voor later op te leveren. Soms mag een moment gewoon een moment zijn.
Misschien is dat ook wel iets wat we elkaar wat vaker mogen gunnen. We leggen onszelf behoorlijk veel druk op. Altijd bereikbaar zijn. Altijd presteren. Altijd doorgaan. En als we dan eindelijk niets hoeven, voelen we ons bijna verplicht om daar óók iets van te maken. Dus heb ik mezelf een nieuwe uitdaging gegeven. Niks doen. Niet als onderdeel van een mindfulness-app. Niet met een ingewikkelde ademhalingstechniek. Niet met een timer van twintig minuten. Gewoon niks.
Of, mijn persoonlijke favoriet: mijn telefoon pakken om vervolgens twintig minuten lang niets anders te doen dan door filmpjes scrollen waarvan ik drie seconden later alweer vergeten ben wat ik gezien heb. Dat noemen we dan ontspanning.
Vroeger was dat toch anders. Als kind kon je volgens mij moeiteloos een middag niks doen. Je kon uren buiten spelen, op de bank hangen, uit het raam kijken of met iets bezig zijn waarvan je vooraf niet eens wist wat het precies was. Er hoefde geen doel te zijn. Er hoefde geen resultaat te zijn. En niemand maakte zich zorgen over de vraag of die tijd wel “nuttig besteed” werd. Sterker nog: als kind was verveling soms het begin van de leukste dingen.
Met werk, een volle agenda en alles wat er thuis en daarbuiten geregeld moet worden, zijn mijn dagen meestal behoorlijk goed gevuld. Een afspraak, een telefoontje, een mailtje, iets wat nog af moet, een boodschap, sporten, thuis nog wat doen. En als er dan ergens een lege plek in de agenda ontstaat, voelt dat al snel als een uitnodiging om er iets in te zetten.
Een lege plek moet tenslotte wel nuttig worden besteed. En als er dan eindelijk een moment komt waarop er niets hoeft, gebeurt er iets geks. Dan ga ik bedenken wat ik allemaal nog zou kunnen doen. Even opruimen. De vaatwasser uitruimen. Een mail beantwoorden. De administratie bijwerken. De tuin in. Sporten. Boodschappen doen.
Deel deze pagina:
Ik ben er de laatste tijd achter gekomen dat ik iets verleerd ben. Iets wat vroeger volkomen normaal was, maar waar ik tegenwoordig bijna een beetje moeite mee heb: niks doen.
En dan bedoel ik ook echt niks. Niet “even niks doen” terwijl je ondertussen op je telefoon kijkt. Niet “lekker rustig aan doen” terwijl je ondertussen de wasmachine aanzet, drie mails beantwoordt en nog snel iets opzoekt. Nee. Gewoon zitten. Kijken. Denken. Of eigenlijk: niet eens denken. Dat blijkt verrassend moeilijk.