Deze publicatie maakt gebruik van cookies

We gebruiken functionele en analytische cookies om onze website te verbeteren. Daarnaast plaatsen derde partijen tracking cookies om gepersonaliseerde advertenties op social media weer te geven. Door op accepteren te klikken gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.

Deel deze pagina:

Op zondag 26 november 1944 moest Narda met enkele familieleden hun woning verlaten en vonden zij onderdak bij de familie Bertrams. Woensdag 20 december 1944 moest iedereen uit pand Bertrams vertrekken naar de Krommenhoek.
Maandag 12 februari 1945 moesten de bewoners van de Krommenhoek evacueren. Te voet naar Kaldenkirchen.
Dinsdag 20 februari 1945 vertrokken zij vanuit Kaldenkirchen per trein in een veewagon naar Drenthe waar ze op vrijdag 23 februari 1945 te Assen aankwamen. Van daaruit ging het op donderdag 1 maart 1945 door naar adressen in Smilde.

Pas op 21 mei 1945 keerden ze terug in Reuver.

Het gehele dagboek is te lezen door op onderstaande button te klikken:

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd door meerdere inwoners van Reuver een dagboek bijgehouden over de gebeurtenissen in het dorp. Veelal handelt het om eigen belevenissen maar ook wordt er geschreven over de gebeurtenissen binnen de gemeenschap.

Oorlogsverhaal uit het dagboek van Narda Hillekens-Litjens

Een van de personen die noteerde wat er met name op het laatst van de oorlog gebeurde was Narda Hillekens-Litjens. Zij beschreef de tijd van 19 november 1944 tot 21 mei 1945. Onderstaand enkele passages uit haar dagboek dat door de kinderen van Narda ter beschikking werd gesteld.

Het gezin Gisbert en Hendrina Litjens -Janssen woonde gedurende de oorlogsjaren aan de Rijksweg te Reuver. Niet alle kinderen woonden nog thuis. De schrijfster van het dagboek Narda Litjens (Hillekens-Litjens) werkte en woonde destijds in Geleen, was op verlof thuis maar kon vanwege de gevechten niet meer terug.

Haar zus Wies Muisers-Litjens met haar man Jan woonde in bij de ouders Litjens. Zus To Fleuren-Litjens verbleef met enkele kinderen eveneens daar sedert 19 november 1944. Hun woning in het centrum van Reuver was ernstig beschadigd.

Broers Frans en Leo waren op 25 november 1944 in huis en zijn bij de razzia op die dag opgepakt, evenals zwager Jan Muisers. Ook broer Joep werd elders in Reuver opgepakt.



Narda Hillekens-Litjens
PUIK VERHAAL

Zondag 19 november 1944
De eerste Engelse granaten verwoestten vele huizen in het centrum van het dorp. Vier doden vallen er te betreuren. De kerk heeft ook een voltreffer gekregen net boven de middendeur. Het Piusgebouw heeft ook nogal wat meegekregen. De jongensschool en het klooster al precies eender. En dan nog vele huizen die er in de buurt staan. In het huis van To is geen ruit meer heel gebleven. De grote winkelruiten, boven, overal liggen ze in duizend stukken. De schrik zat er opeens zo in dat To niet meer daar in huis wou blijven. Met haar kinderen is ze nog dezelfde middag naar huis gekomen. Dan komen ze allemaal graag naar moeder toe. het Beddengoed op de bolderwagen en daar begon de verhuizing. Er werd afgesproken dat Frans bij Dré zou gaan slapen. Met twee is altijd gezelliger als alleen en het was ook beter dan dat het huis helemaal leeg was. Om half zeven hebben Wies en ik de wieg van Wiesje nog gehaald. Wij hadden alle bedden in de kelder gemaakt. Dat was voorlopig onze slaapkamer. We hadden al van alles geprobeerd waar we Wiesje in zouden kunnen leggen. Maar hoe we ook pasten het ging van geen kanten. Dus die wieg moest er komen. Het was een angstig gezicht zo in het donker. Aan alle kanten vuur en schieten. Over de Maas flikkerde het net zo erg als bij een hevig onweer. Het gebulder en gerommel was niet van de lucht. Iedereen dacht binnen een week zijn we van alles af. Maar dat is nog wel een beetje anders uitgekomen. Zo hebben we de hele week aangesukkeld. Als er weer granaten kwamen gauw naar de kelder gevlucht, en dachten we dat het weer veilig was dan maar weer naar boven toe.

Zaterdag 25 november 1944
’s Avonds om zes uur (we waren net aan het eten) het ontstellende bericht gekregen dat we aan deze kant van de Rijksweg langs de hele Maas moesten evacueren. We kregen tot zondagmorgen acht uur tijd om te ontruimen. De honger was ons in een keer over. Frans had al voor ons gezorgd voor onderdak. Bij Bertrams waar ze ook een reuze goeie kelder hebben. Een kar met paard werd ook al voor gezorgd. En daar aan het sjouwen. De bedden, het voornaamste fruit in de glazen, de kleren, aan etenswaar wat we zo nog hadden, alles werd op de kar geladen. Zo veel tot ze vol was en er nog geen potje meer bij kon. Tot elf uur hebben we gesjouwd en alles nagekeken wat we ’s anderendaags in de kelder moesten zetten. De kinderen hebben deze nacht geslapen maar voor de rest heeft niemand een oog dicht gedaan.

Zondag 26 november 1944
Klokslag acht uur daar gingen we met tranen in de ogen ons huis verlaten. Het Heilig Hartbeeld mochten we van vader niet wegzetten. Die is de baas van ons huis en die moet het ook beschermen. De hond, het kanariepietje, de kippen, alles moest mee. Het varken hadden vader en Jan naar van Lier gebracht. De kat smeerde ‘m onderweg er tussen uit. Het was een complete volksverhuizing. Maar wel een treurig gezicht. Overal zag je de mensen met beddengoed en meubels sjouwen. Tien uur in de morgen. Jan was een kip aan het plukken. Frans, Leo en Lambert waren de aardappels uit de kelder aan het dragen, zodat de bedden geplaatst konden worden. Daar opeens de alarmkreet “razzia” . Waar gaan de jongens nu naar toe? Goede raad was duur. het Beste is maar, zeiden ze alle vier dat we gewoon in de kelder blijven zitten. Met 100 man van de Gestapo bestormden ze de Reuver. In een ogenblik hadden ze meer dan 100 mannen en jongens als vee bij elkaar gedreven. De bedoeling was geweest om aan de kerk de mannen op te pikken. Maar doordat de kerk een voltreffer had gekregen van een granaat waren er die zondag geen Heilige Missen. Met schrik stonden de kinderen voor aan de raam te kijken of ze hier al naar binnen kwamen. En, jawel hoor, daar kwamen twee van die grimmige kerels heen. Regelrecht de kelder in, waar Wies naast Jan zat te huilen. Frans, Leo en Lambert stonden of zaten er rondom. Moeder zat in een hoekje ook al te huilen en ik zat aan de ingang de dingen die komen zouden af te wachten. “Ist hier kein Licht?” Niemand zei iets en niemand maakte een lucifer aan.  Daar naar boven aan het schreeuwen voor licht. Nummer twee kwam toen ook naar beneden en zagen ze de jongens zitten. Een voor een ondervraagd hoe oud of ze waren. “Ja dan kommen Sie mal mit”. Eten, dekens, enz. konden ze nog op hun gemak klaar maken. Van allemaal afscheid genomen en daar trokken ze tussen twee soldaten in of het de grootste boeven waren. een Treurig gezicht op de markt. Vaders die van hun vrouw en kinderen afscheid namen. Verloofden, zoons en broers voor allemaal was het even erg. het Was een dag om nooit te vergeten. een Paar uur hebben ze daar nog op de markt gestaan, tot er een hele troep van de S.A.-mannen aan kwamen die hun naar de grens brachten. Nog een laatste handzwaai en ze zijn uit het gezicht verdwenen. Na een poosje weer eens aan de deur gekeken en daar zagen we ze ook al met Dré aan komen. Arme To en kinderen, nu zijn die ook alweer alleen. Toen ze er weer een 100 tot 150 bij elkaar hadden trokken ze weer weg en niemand wist waarnaartoe. Zo ging de eerste dag van evacuatie voorbij. Het was zondag maar geen mens die daaraan dacht. Frans zeen nieuwe fiets, die voor in de winkel stond, werd ook nog gauw ingepikt door de moffen. Voor de avond kregen we ‘m zeker terug. Ze hoefden er maar even een boodschap mee te gaan doen. Maar we wisten wel voorop dat die moffen wat ze eenmaal in handen hebben niet meer teruggeven.

Woensdag 20 december 1944
Allemaal op tijd op en weer met alles aan het sjouwen. To Muijsers, Wies en Harrie van Sjeng en van Bert Muijsers hebben ons geholpen. Ik was nog niet helemaal in orde, dus kon niets doen dan een beetje mee helpen opladen. 8 keer zijn ze op en afgelopen met hun 2 karretjes. ’s Avonds waren ze natuurlijk doodop. Om een uur of 4 zijn vader, moeder en ik op de Krommenhoek aangetrokken. De kachel brandde daar lekker, dus ik direct erop af want ik rilde van de kou. We waren allemaal blij dat we nu hier waren. het Eerste hebben we de rommel een beetje aan de kant gezet en toen maar gauw de bedden opgemaakt. Dat van vader en moeder werd op een paar kisten gemaakt en dat van ons zo met de matras op de grond. Nu hadden we de eerste en tweede etage. Zo was het al gauw etenstijd geworden. Na het eten het rozenkransje gebeden. Nog wat gepraat, afgewassen, toen was het onderhand 8 uur en gingen we maar onze bedden opzoeken. De eerste nacht is dat slapen in de Krommenhoek nog niet zo goed gegaan, maar dat zal zo langzamerhand wel beter worden.


Maandag 12 februari 1945
Carnavalsmaandag, wat een ongeluksdag. Vandaag waren de overige mensen van Reuver aan de beurt om te evacueren. Om half 10 kwam de Gestapo, binnen een uur moest de woning ontruimd zijn. In een uur tijd kun je niet veel inpakken, daarom was het maar goed dat we zowat alles klaar hadden staan. De bolderwagen werd volgeladen met onze rugzakken. In het sportwagentje werden de koffers geladen en de tassen droegen we zoveel mogelijk aan de hand. Daar met allemaal naar Muijsers. We hadden afgesproken om zoveel mogelijk bij elkaar te blijven. Ze hadden daar het melkwagentje volgeladen, maar nog geen 5 meter hadden ze gereden of het hele ding viel in mekaar. Wat nu gezongen? Het paard van Muijsers was van september af niet meer buiten geweest, dus dat was nogal wild. Toen werd besloten als Rein Achten meegaat dan nemen we toch het paard en kar mee. Die kon dat paard wel de baas. Om half 12 gingen we op weg. het Regende dat het goot. Op de Keulseweg aangekomen moest al direct halt gehouden worden. De bagage moest van de kar afgeladen worden. Daar moesten zieken en ouden van dagen en kinderen op zitten. Eindelijk konden we verder trekken en ging het met horten en stoten op de grens aan, het was een carnavalsoptocht om nooit te vergeten. Nu niet met lachen en plezier maken, maar een treurige stoet die je zag trekken. Kinderen die huilden van koude voeten en handen. Oude mensen die bijna niet konden lopen en daarbij nog zo een miezerige motregen waar je doornat van werd. Zo vorderden wij langzaam en kwamen eindelijk aan de grens. Nooit hadden we gedacht dat we zo het Duitse grondgebied moesten betreden. Zo kwamen we om ongeveer 4 uur in Kaldenkirchen aan. Helemaal nat en verkleumd. Daarop zoek voor onderdak, kwamen we bij een conservenfabriek aan. Die was al helemaal vol, maar erachter waren houten barakken gebouwd. In zo’n barak of beter gezegd hok hebben we ons toen maar geïnstalleerd met onze bagage.

Dinsdag 20 februari 1945
Vanavond om kwart over 10 kwam er een van die groene politie. In 10 minuten tijd moest de barak verlaten zijn. Of we al zeiden dat het niet ging omdat er 15 kleine kinderen lagen te slapen, het hielp niet. Wie bij de familie wilde blijven moest direct weg. Nu achter mekaar inpakken en weg naar het station, de trein stond klaar. Hals over kop hebben we toen alles bij elkaar gescharreld. een Herrie en lawaai van jewelste. En dan nog om de 5 minuten geschreeuw van een mof of we nog niet klaar waren. Om half 12 gingen we op weg naar het station. Gelukkig was het niet zo donker doordat de maan scheen. Dan zag je hier wat op de grond vallen en dan daar. een Handdoek, een pakje zeeppoeder, enz. Als het niet al te best ingepakt was, werd je het kwijt. We zijn toch maar doorgesukkeld tot aan het station. Daar werden we in een veewagen geduwd. Wij kwamen in de laatste wagen terecht. In totaal met 69 personen en 9 kinderwagens. Van het Rode Kruis kregen we nog een 50 broodjes in de wagen gegooid die minstens al een week oud waren, want ze smaakten heel muf. Nog wat geschreeuw langs de trein op en eindelijk om 5 over 12 vertrok de trein. Zo begon onze lijdensweg via Duitsland weer naar Holland.

Woensdag 21 februari 1945
Tot 6 uur ’s morgens heeft de trein doorgereden en waren wij in Oberhausen, op een groot spoorwegemplacement. Hier moesten we wachten op een locomotief. Tot 4 uur hebben we daar gestaan. De dag is ons zo lang gevallen, het kon wel een week zijn geweest. Ook is er in die tijd nog 2 keer luchtalarm geweest. Dat was nog angstig genoeg. De trein werd teruggezet tot aan de stadsbunkers.
Om 6 uur kwam toch gelukkig nog een locomotief. Maar nu moesten we nog wachten op Jan van Neer en zijn vrouw. Hun kindje van 6 maanden was om half 6 in de trein overleden. Nu moest dit zo maar langs het spoor begraven worden. Een verschrikkelijk iets voor een vader en een moeder om zo je kindje achter te moeten laten. En dan ook nog het enige kindje wat ze hadden.
Eindelijk om half 7 vertrok toen de trein in de richting Hannover. Het ging maar heel langzaam met een slakkengangetje vooruit. Tussen half 8 en 12 uur hebben we op 5 verschillende plaatsen nog groot alarm gehad. De wagen werd dicht gedaan maar tussen de reten door kon je iedere keer een regen van fosfor naar beneden zien komen. Dat zijn voor ons erg benauwde uren geweest. Maar als we weer eens een rozenhoedje gebeden hadden waren wij weer een beetje gerust gesteld.

Donderdag 1 maart 1945
Vanmorgen om half 10 moesten we klaar staan om naar Smilde vervoerd te worden. Om 11 uur was er nog geen wagen te bekennen. Hij had 2 lekke banden en nu kon het wel half 1 worden eer dat hij kwam. We hebben toen eerst in Assen nog eten gekregen in het concerthuis. Allemaal een beetje stamppot en één boterham. Ze hadden niet meer op ons gerekend met eten, maar we hebben toch geen honger geleden. Eindelijk om 2 uur daar kwam de wagen aan. Het was een vrachtwagen waar voor ongeveer 30 personen plaats in was. Daar ving de reis aan, staande in een wagen. Je moest maar zien dat je je ergens aan vast hield om niet te vallen. Ongeveer half weg, stop, een band lek. Een nieuwe opgelegd en maar weer verder gesukkeld. Een paar honderd meter verder weer stoppen en net op tijd want anders was het wiel er vanaf gelopen. In Smilde brachten ze ons naar de school. Daar kregen we direct hete koffie en een boterham met kaas. De hoofden van de gezinnen moesten toen bij de secretaris komen met de stamkaarten. We kregen toen allemaal de bonkaarten en zo werden wij inwoner van Smilde.

Donderdag 12 april 1945
Om 6 uur vanmorgen hebben we het bed in de kamer op de grond gemaakt en hebben wij nog geslapen tot half 8. Toen kwamen ze ons wakker maken, er waren weer vliegers in de lucht. Nu, wij op zo hard als we konden. Gelukkig zijn ze overgevlogen en is er niets meer gebeurd. Even later kwamen de buren van ons zeggen, zij gingen van huis weg, een stuk naar achteren op een boerderij. Hier langs de vaart en aan de veenbrug vonden ze het te gevaarlijk. Sjakie en ik zijn maar naar vader en moeder bij Gerkes gegaan. We hebben onder ons vieren samen toen de rozenkrans gebeden. “Zo”, zei vader, dat nu gebeurt wat wil, er is toch niets aan te doen. We zullen er toch door heen moeten. Vanmiddag om een uur of 4 stond Sjakie aan het raam te kijken. “Daar”, zegt hij, “loopt een mof met de handen in de hoogte”. Ik geloofde het niet, maar jawel hoor. Drie moffen liepen met de handen in de hoogte op de brug aan. 6 Canadezen liepen hun tegemoet. Het was werkelijk een mooi gezicht om te zien. Een heel verschil tegen dat ze ons zo met hun grote mond wegjoegen met een revolver in de hand. Nu waren ze o zo klein geworden. Het geweer werd hun door de Canadezen afgenomen en verdween onmiddellijk in de vaart. Evenals hun andere wapens en munitie. De Canadezen kwamen tot hier bij Gerkes voor de deur. “Dutchmen” zeiden ze. En in onze verbouwereerdheid zeiden we ook nog nee. En tot nog toe is in het Engels Dutchmen nog steeds Nederlanders. Maar we waren op dat moment ook te zeer verbaasd.

Zaterdag 5 mei 1945
Vandaag is de Algehele Capitulatie van de moffen in Nederland afgekondigd. Wat een geluk voor de mensen in het Westen van ons land is. Wij allen zijn blij voor deze capitulatie. Alles wijst erop dat Duitsland vandaag of morgen helemaal in elkaar zakt.

Maandag 21 mei 1945
4 Uur ratelde de wekker af. In tijd van een ogenblik was ik gewassen en gekamd.
Een paar sneetjes brood gegeten, meer voor de vorm dan voor de honger. Toen hebben we van iedereen afscheid genomen en zijn naar De Jong gegaan. Van daaruit vertrok de auto. Om 5 uur zouden we gaan was afgesproken. De bagage ingeladen, wij allemaal erin en daar ging het heen. Al gauw weerklonk ons Limburgs volkslied door Smilde. We troffen het weer niet met het weer. Maar dat zijn we gewend, als we weer gaan verhuizen regent het altijd. Maar nu scheelde het ons niet zo heel veel want het ging naar huis toe.
Toen we voorbij Venlo waren begonnen we weer te zingen maar de gedachten waren er toch niet meer zo goed bij. Die gingen vast vooruit naar Reuver waar we nu zo kort bij kwamen. Eindelijk om ongeveer 3 uur stopte de auto bij ons voor de deur. En daar stonden ze allemaal op ons te wachten. Wat een vreugde en blijdschap. Iedereen was gelukkig dat we na 6 maanden weer allen gezond en wel bij elkaar kwamen.




gehele dagboek

Deel deze pagina:

Op zondag 26 november 1944 moest Narda met enkele familieleden hun woning verlaten en vonden zij onderdak bij de familie Bertrams. Woensdag 20 december 1944 moest iedereen uit pand Bertrams vertrekken naar de Krommenhoek.
Maandag 12 februari 1945 moesten de bewoners van de Krommenhoek evacueren. Te voet naar Kaldenkirchen.
Dinsdag 20 februari 1945 vertrokken zij vanuit Kaldenkirchen per trein in een veewagon naar Drenthe waar ze op vrijdag 23 februari 1945 te Assen aankwamen. Van daaruit ging het op donderdag 1 maart 1945 door naar adressen in Smilde.

Pas op 21 mei 1945 keerden ze terug in Reuver.

Het gehele dagboek is te lezen door op onderstaande button te klikken:

Een van de personen die noteerde wat er met name op het laatst van de oorlog gebeurde was Narda Hillekens-Litjens. Zij beschreef de tijd van 19 november 1944 tot 21 mei 1945. Onderstaand enkele passages uit haar dagboek dat door de kinderen van Narda ter beschikking werd gesteld.

Het gezin Gisbert en Hendrina Litjens -Janssen woonde gedurende de oorlogsjaren aan de Rijksweg te Reuver. Niet alle kinderen woonden nog thuis. De schrijfster van het dagboek Narda Litjens (Hillekens-Litjens) werkte en woonde destijds in Geleen, was op verlof thuis maar kon vanwege de gevechten niet meer terug.

Haar zus Wies Muisers-Litjens met haar man Jan woonde in bij de ouders Litjens. Zus To Fleuren-Litjens verbleef met enkele kinderen eveneens daar sedert 19 november 1944. Hun woning in het centrum van Reuver was ernstig beschadigd.

Broers Frans en Leo waren op 25 november 1944 in huis en zijn bij de razzia op die dag opgepakt, evenals zwager Jan Muisers. Ook broer Joep werd elders in Reuver opgepakt.



Narda Hillekens-Litjens

PUIK VERHAAL

Oorlogsverhaal uit het dagboek van Narda Hillekens-Litjens

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd door meerdere inwoners van Reuver een dagboek bijgehouden over de gebeurtenissen in het dorp. Veelal handelt het om eigen belevenissen maar ook wordt er geschreven over de gebeurtenissen binnen de gemeenschap.

Zondag 19 november 1944
De eerste Engelse granaten verwoestten vele huizen in het centrum van het dorp. Vier doden vallen er te betreuren. De kerk heeft ook een voltreffer gekregen net boven de middendeur. Het Piusgebouw heeft ook nogal wat meegekregen. De jongensschool en het klooster al precies eender. En dan nog vele huizen die er in de buurt staan. In het huis van To is geen ruit meer heel gebleven. De grote winkelruiten, boven, overal liggen ze in duizend stukken. De schrik zat er opeens zo in dat To niet meer daar in huis wou blijven. Met haar kinderen is ze nog dezelfde middag naar huis gekomen. Dan komen ze allemaal graag naar moeder toe. het Beddengoed op de bolderwagen en daar begon de verhuizing. Er werd afgesproken dat Frans bij Dré zou gaan slapen. Met twee is altijd gezelliger als alleen en het was ook beter dan dat het huis helemaal leeg was. Om half zeven hebben Wies en ik de wieg van Wiesje nog gehaald. Wij hadden alle bedden in de kelder gemaakt. Dat was voorlopig onze slaapkamer. We hadden al van alles geprobeerd waar we Wiesje in zouden kunnen leggen. Maar hoe we ook pasten het ging van geen kanten. Dus die wieg moest er komen. Het was een angstig gezicht zo in het donker. Aan alle kanten vuur en schieten. Over de Maas flikkerde het net zo erg als bij een hevig onweer. Het gebulder en gerommel was niet van de lucht. Iedereen dacht binnen een week zijn we van alles af. Maar dat is nog wel een beetje anders uitgekomen. Zo hebben we de hele week aangesukkeld. Als er weer granaten kwamen gauw naar de kelder gevlucht, en dachten we dat het weer veilig was dan maar weer naar boven toe.

Zaterdag 25 november 1944
’s Avonds om zes uur (we waren net aan het eten) het ontstellende bericht gekregen dat we aan deze kant van de Rijksweg langs de hele Maas moesten evacueren. We kregen tot zondagmorgen acht uur tijd om te ontruimen. De honger was ons in een keer over. Frans had al voor ons gezorgd voor onderdak. Bij Bertrams waar ze ook een reuze goeie kelder hebben. Een kar met paard werd ook al voor gezorgd. En daar aan het sjouwen. De bedden, het voornaamste fruit in de glazen, de kleren, aan etenswaar wat we zo nog hadden, alles werd op de kar geladen. Zo veel tot ze vol was en er nog geen potje meer bij kon. Tot elf uur hebben we gesjouwd en alles nagekeken wat we ’s anderendaags in de kelder moesten zetten. De kinderen hebben deze nacht geslapen maar voor de rest heeft niemand een oog dicht gedaan.

Zondag 26 november 1944
Klokslag acht uur daar gingen we met tranen in de ogen ons huis verlaten. Het Heilig Hartbeeld mochten we van vader niet wegzetten. Die is de baas van ons huis en die moet het ook beschermen. De hond, het kanariepietje, de kippen, alles moest mee. Het varken hadden vader en Jan naar van Lier gebracht. De kat smeerde ‘m onderweg er tussen uit. Het was een complete volksverhuizing. Maar wel een treurig gezicht. Overal zag je de mensen met beddengoed en meubels sjouwen. Tien uur in de morgen. Jan was een kip aan het plukken. Frans, Leo en Lambert waren de aardappels uit de kelder aan het dragen, zodat de bedden geplaatst konden worden. Daar opeens de alarmkreet “razzia” . Waar gaan de jongens nu naar toe? Goede raad was duur. het Beste is maar, zeiden ze alle vier dat we gewoon in de kelder blijven zitten. Met 100 man van de Gestapo bestormden ze de Reuver. In een ogenblik hadden ze meer dan 100 mannen en jongens als vee bij elkaar gedreven. De bedoeling was geweest om aan de kerk de mannen op te pikken. Maar doordat de kerk een voltreffer had gekregen van een granaat waren er die zondag geen Heilige Missen. Met schrik stonden de kinderen voor aan de raam te kijken of ze hier al naar binnen kwamen. En, jawel hoor, daar kwamen twee van die grimmige kerels heen. Regelrecht de kelder in, waar Wies naast Jan zat te huilen. Frans, Leo en Lambert stonden of zaten er rondom. Moeder zat in een hoekje ook al te huilen en ik zat aan de ingang de dingen die komen zouden af te wachten. “Ist hier kein Licht?” Niemand zei iets en niemand maakte een lucifer aan.  Daar naar boven aan het schreeuwen voor licht. Nummer twee kwam toen ook naar beneden en zagen ze de jongens zitten. Een voor een ondervraagd hoe oud of ze waren. “Ja dan kommen Sie mal mit”. Eten, dekens, enz. konden ze nog op hun gemak klaar maken. Van allemaal afscheid genomen en daar trokken ze tussen twee soldaten in of het de grootste boeven waren. een Treurig gezicht op de markt. Vaders die van hun vrouw en kinderen afscheid namen. Verloofden, zoons en broers voor allemaal was het even erg. het Was een dag om nooit te vergeten. een Paar uur hebben ze daar nog op de markt gestaan, tot er een hele troep van de S.A.-mannen aan kwamen die hun naar de grens brachten. Nog een laatste handzwaai en ze zijn uit het gezicht verdwenen. Na een poosje weer eens aan de deur gekeken en daar zagen we ze ook al met Dré aan komen. Arme To en kinderen, nu zijn die ook alweer alleen. Toen ze er weer een 100 tot 150 bij elkaar hadden trokken ze weer weg en niemand wist waarnaartoe. Zo ging de eerste dag van evacuatie voorbij. Het was zondag maar geen mens die daaraan dacht. Frans zeen nieuwe fiets, die voor in de winkel stond, werd ook nog gauw ingepikt door de moffen. Voor de avond kregen we ‘m zeker terug. Ze hoefden er maar even een boodschap mee te gaan doen. Maar we wisten wel voorop dat die moffen wat ze eenmaal in handen hebben niet meer teruggeven.

Woensdag 20 december 1944
Allemaal op tijd op en weer met alles aan het sjouwen. To Muijsers, Wies en Harrie van Sjeng en van Bert Muijsers hebben ons geholpen. Ik was nog niet helemaal in orde, dus kon niets doen dan een beetje mee helpen opladen. 8 keer zijn ze op en afgelopen met hun 2 karretjes. ’s Avonds waren ze natuurlijk doodop. Om een uur of 4 zijn vader, moeder en ik op de Krommenhoek aangetrokken. De kachel brandde daar lekker, dus ik direct erop af want ik rilde van de kou. We waren allemaal blij dat we nu hier waren. het Eerste hebben we de rommel een beetje aan de kant gezet en toen maar gauw de bedden opgemaakt. Dat van vader en moeder werd op een paar kisten gemaakt en dat van ons zo met de matras op de grond. Nu hadden we de eerste en tweede etage. Zo was het al gauw etenstijd geworden. Na het eten het rozenkransje gebeden. Nog wat gepraat, afgewassen, toen was het onderhand 8 uur en gingen we maar onze bedden opzoeken. De eerste nacht is dat slapen in de Krommenhoek nog niet zo goed gegaan, maar dat zal zo langzamerhand wel beter worden.


Maandag 12 februari 1945
Carnavalsmaandag, wat een ongeluksdag. Vandaag waren de overige mensen van Reuver aan de beurt om te evacueren. Om half 10 kwam de Gestapo, binnen een uur moest de woning ontruimd zijn. In een uur tijd kun je niet veel inpakken, daarom was het maar goed dat we zowat alles klaar hadden staan. De bolderwagen werd volgeladen met onze rugzakken. In het sportwagentje werden de koffers geladen en de tassen droegen we zoveel mogelijk aan de hand. Daar met allemaal naar Muijsers. We hadden afgesproken om zoveel mogelijk bij elkaar te blijven. Ze hadden daar het melkwagentje volgeladen, maar nog geen 5 meter hadden ze gereden of het hele ding viel in mekaar. Wat nu gezongen? Het paard van Muijsers was van september af niet meer buiten geweest, dus dat was nogal wild. Toen werd besloten als Rein Achten meegaat dan nemen we toch het paard en kar mee. Die kon dat paard wel de baas. Om half 12 gingen we op weg. het Regende dat het goot. Op de Keulseweg aangekomen moest al direct halt gehouden worden. De bagage moest van de kar afgeladen worden. Daar moesten zieken en ouden van dagen en kinderen op zitten. Eindelijk konden we verder trekken en ging het met horten en stoten op de grens aan, het was een carnavalsoptocht om nooit te vergeten. Nu niet met lachen en plezier maken, maar een treurige stoet die je zag trekken. Kinderen die huilden van koude voeten en handen. Oude mensen die bijna niet konden lopen en daarbij nog zo een miezerige motregen waar je doornat van werd. Zo vorderden wij langzaam en kwamen eindelijk aan de grens. Nooit hadden we gedacht dat we zo het Duitse grondgebied moesten betreden. Zo kwamen we om ongeveer 4 uur in Kaldenkirchen aan. Helemaal nat en verkleumd. Daarop zoek voor onderdak, kwamen we bij een conservenfabriek aan. Die was al helemaal vol, maar erachter waren houten barakken gebouwd. In zo’n barak of beter gezegd hok hebben we ons toen maar geïnstalleerd met onze bagage.

Dinsdag 20 februari 1945
Vanavond om kwart over 10 kwam er een van die groene politie. In 10 minuten tijd moest de barak verlaten zijn. Of we al zeiden dat het niet ging omdat er 15 kleine kinderen lagen te slapen, het hielp niet. Wie bij de familie wilde blijven moest direct weg. Nu achter mekaar inpakken en weg naar het station, de trein stond klaar. Hals over kop hebben we toen alles bij elkaar gescharreld. een Herrie en lawaai van jewelste. En dan nog om de 5 minuten geschreeuw van een mof of we nog niet klaar waren. Om half 12 gingen we op weg naar het station. Gelukkig was het niet zo donker doordat de maan scheen. Dan zag je hier wat op de grond vallen en dan daar. een Handdoek, een pakje zeeppoeder, enz. Als het niet al te best ingepakt was, werd je het kwijt. We zijn toch maar doorgesukkeld tot aan het station. Daar werden we in een veewagen geduwd. Wij kwamen in de laatste wagen terecht. In totaal met 69 personen en 9 kinderwagens. Van het Rode Kruis kregen we nog een 50 broodjes in de wagen gegooid die minstens al een week oud waren, want ze smaakten heel muf. Nog wat geschreeuw langs de trein op en eindelijk om 5 over 12 vertrok de trein. Zo begon onze lijdensweg via Duitsland weer naar Holland.

Woensdag 21 februari 1945
Tot 6 uur ’s morgens heeft de trein doorgereden en waren wij in Oberhausen, op een groot spoorwegemplacement. Hier moesten we wachten op een locomotief. Tot 4 uur hebben we daar gestaan. De dag is ons zo lang gevallen, het kon wel een week zijn geweest. Ook is er in die tijd nog 2 keer luchtalarm geweest. Dat was nog angstig genoeg. De trein werd teruggezet tot aan de stadsbunkers.
Om 6 uur kwam toch gelukkig nog een locomotief. Maar nu moesten we nog wachten op Jan van Neer en zijn vrouw. Hun kindje van 6 maanden was om half 6 in de trein overleden. Nu moest dit zo maar langs het spoor begraven worden. Een verschrikkelijk iets voor een vader en een moeder om zo je kindje achter te moeten laten. En dan ook nog het enige kindje wat ze hadden.
Eindelijk om half 7 vertrok toen de trein in de richting Hannover. Het ging maar heel langzaam met een slakkengangetje vooruit. Tussen half 8 en 12 uur hebben we op 5 verschillende plaatsen nog groot alarm gehad. De wagen werd dicht gedaan maar tussen de reten door kon je iedere keer een regen van fosfor naar beneden zien komen. Dat zijn voor ons erg benauwde uren geweest. Maar als we weer eens een rozenhoedje gebeden hadden waren wij weer een beetje gerust gesteld.

Donderdag 1 maart 1945
Vanmorgen om half 10 moesten we klaar staan om naar Smilde vervoerd te worden. Om 11 uur was er nog geen wagen te bekennen. Hij had 2 lekke banden en nu kon het wel half 1 worden eer dat hij kwam. We hebben toen eerst in Assen nog eten gekregen in het concerthuis. Allemaal een beetje stamppot en één boterham. Ze hadden niet meer op ons gerekend met eten, maar we hebben toch geen honger geleden. Eindelijk om 2 uur daar kwam de wagen aan. Het was een vrachtwagen waar voor ongeveer 30 personen plaats in was. Daar ving de reis aan, staande in een wagen. Je moest maar zien dat je je ergens aan vast hield om niet te vallen. Ongeveer half weg, stop, een band lek. Een nieuwe opgelegd en maar weer verder gesukkeld. Een paar honderd meter verder weer stoppen en net op tijd want anders was het wiel er vanaf gelopen. In Smilde brachten ze ons naar de school. Daar kregen we direct hete koffie en een boterham met kaas. De hoofden van de gezinnen moesten toen bij de secretaris komen met de stamkaarten. We kregen toen allemaal de bonkaarten en zo werden wij inwoner van Smilde.

Donderdag 12 april 1945
Om 6 uur vanmorgen hebben we het bed in de kamer op de grond gemaakt en hebben wij nog geslapen tot half 8. Toen kwamen ze ons wakker maken, er waren weer vliegers in de lucht. Nu, wij op zo hard als we konden. Gelukkig zijn ze overgevlogen en is er niets meer gebeurd. Even later kwamen de buren van ons zeggen, zij gingen van huis weg, een stuk naar achteren op een boerderij. Hier langs de vaart en aan de veenbrug vonden ze het te gevaarlijk. Sjakie en ik zijn maar naar vader en moeder bij Gerkes gegaan. We hebben onder ons vieren samen toen de rozenkrans gebeden. “Zo”, zei vader, dat nu gebeurt wat wil, er is toch niets aan te doen. We zullen er toch door heen moeten. Vanmiddag om een uur of 4 stond Sjakie aan het raam te kijken. “Daar”, zegt hij, “loopt een mof met de handen in de hoogte”. Ik geloofde het niet, maar jawel hoor. Drie moffen liepen met de handen in de hoogte op de brug aan. 6 Canadezen liepen hun tegemoet. Het was werkelijk een mooi gezicht om te zien. Een heel verschil tegen dat ze ons zo met hun grote mond wegjoegen met een revolver in de hand. Nu waren ze o zo klein geworden. Het geweer werd hun door de Canadezen afgenomen en verdween onmiddellijk in de vaart. Evenals hun andere wapens en munitie. De Canadezen kwamen tot hier bij Gerkes voor de deur. “Dutchmen” zeiden ze. En in onze verbouwereerdheid zeiden we ook nog nee. En tot nog toe is in het Engels Dutchmen nog steeds Nederlanders. Maar we waren op dat moment ook te zeer verbaasd.

Zaterdag 5 mei 1945
Vandaag is de Algehele Capitulatie van de moffen in Nederland afgekondigd. Wat een geluk voor de mensen in het Westen van ons land is. Wij allen zijn blij voor deze capitulatie. Alles wijst erop dat Duitsland vandaag of morgen helemaal in elkaar zakt.

Maandag 21 mei 1945
4 Uur ratelde de wekker af. In tijd van een ogenblik was ik gewassen en gekamd.
Een paar sneetjes brood gegeten, meer voor de vorm dan voor de honger. Toen hebben we van iedereen afscheid genomen en zijn naar De Jong gegaan. Van daaruit vertrok de auto. Om 5 uur zouden we gaan was afgesproken. De bagage ingeladen, wij allemaal erin en daar ging het heen. Al gauw weerklonk ons Limburgs volkslied door Smilde. We troffen het weer niet met het weer. Maar dat zijn we gewend, als we weer gaan verhuizen regent het altijd. Maar nu scheelde het ons niet zo heel veel want het ging naar huis toe.
Toen we voorbij Venlo waren begonnen we weer te zingen maar de gedachten waren er toch niet meer zo goed bij. Die gingen vast vooruit naar Reuver waar we nu zo kort bij kwamen. Eindelijk om ongeveer 3 uur stopte de auto bij ons voor de deur. En daar stonden ze allemaal op ons te wachten. Wat een vreugde en blijdschap. Iedereen was gelukkig dat we na 6 maanden weer allen gezond en wel bij elkaar kwamen.




gehele dagboek