PUIK UIT DE OUDE DOOS

Uit de oude doos

In deze rubriek lees je leuke weetjes, gedichten en verhalen van schrijvers of gebeurtenissen in gemeente Beesel

Deel 15

Voor en tijdens de tweede wereldoorlog werd, gedurende de periode 3 april 1938 tot en met 3 juni 1945, een dagboek bijgehouden door Mathieu Hendrikus Janssen, geboren te 18 mei 1905 en overleden op 18 maart 1980 in Reuver. Hij was bekend als “baas Janssen” of “de baas” van greswarenfabriek Teeuwen.

(Leeftijd op foto 66 jaar)

Vrijdag 26 januari 1945 (11.00 uur)

Sjeng en ik zijn net klaar met het schillen van een emmer aardappelen. Kreijkamp bracht ons gisteren weer wat beter nieuws. De Russen zouden enorme vorderingen maken aan de Oostzee en in Oost-Pruisen. In Silezië zouden de arbeiders op last van de Duitsers de munitiefabrieken in de lucht hebben moeten laten springen. De arbeiders weigerden dit en raakten aldus met de Duitsers slaags. Breslau zou gevallen zijn en de Russen zouden de Oder zijn overgetrokken. Zij zouden zó snel optrekken dat ze de afstand Warschau-Berlijn half hebben afgelegd in 10 dagen en aldus Polen bereikt hebben.

Bij ons zouden de Engelsen nog oprukken en Maasbracht en Heinsberg veroverd hebben. Het prettigste bericht dat ons bereikte was echter te vernemen dat de evacuatie zou zijn afgeblazen. Een evacuatie zou nog harder zijn aangekomen dan de hele oorlog. Thans is weer vliegtuiggeronk te horen. Af en toe horen we een kanon bulderen, schietend vanuit Kessel richting Duitsland. Hiervoor zijn wij zo heel bang niet meer. Als men, zoals wij, een goede kelder ter beschikking heeft zit men tamelijk veilig. Jagers, die van hoog uit de lucht schietend naar beneden komen, zijn zeer gevaarlijk. Van bommenwerpers, die nog gevaarlijker zijn, hebben wij goddank hier geen last. Ze komen wél dikwijls over in grote formaties.

Momenteel zijn wij een beetje bezorgd vanwege het gerucht dat één van de Duitse commandanten een oven wil vorderen om er zijn kwartier in te maken. Wij houden die moffen liefs zo ver mogelijk van ons vandaan. Dagelijks komen die kerels al van alles en nog wat weghalen. Zij zijn soms zeer brutaal. Men kan er echter niets tegen doen. De situatie is ergerlijk. Maar enfin, er gloort een andere tijd. Maar het front zullen we nog eerst over ons heen moeten krijgen. Met de kinderen gaat het goddank, naar omstandigheden, nog goed.

Voortdurend, dag en nacht, verblijven wij in de kelder. De kachel, waarop wij meestal ook koken, heeft als schoorsteen een buis door het keldergat naar buiten. Eten doen wij er ook altijd. De meeste granaten vliegen fluitend regelmatig over onze hoofden. Soms ontploffen ze echter vlakbij en wij horen dan o.a. ook glas rinkelen. Af en toe is het inslaan van de granaten zó angstaanjagend en gevaarlijk dat wij in de kelder in een hoekje, bibberend van angst, bij elkaar kruipen. Veel hebben wij al gebeden opdat wij van deze hel hier op aarde verlost zullen worden. Bij schaarse langere stiltes maken we ons dan weer ongerust en vragen ons af of de Duitsers onze bevrijders terugsloegen. Als dan weer granaten ontploffen, gaat iedereen weer denken dat ons laatste uur geslagen heeft. Goddank zijn wij er tot nog goed vanaf gekomen. Onze buitendeur zit zowat de hele dag op het nachtslot. Als er iemand aan de deur klopt, kijken we vanuit het keldergat/raam eerst in de spiegel (Bewerker: een z.g. spionnetje) of het een betrouwbaar iemand betreft. Is dat niet het geval, dan zoeken we de schuilplaats op die onze vrouwen voor ons maakten. Wij mannen mogen ons immers niet laten zien.

Tekst- en fotobron: Wim Rovers

Klik hier om je gratis in te schrijven voor Puik | Deel deze pagina: