PUIK COLUMN

Koos Franssen

Vijf taalregels waar we vanaf moeten

Spellingsregels zijn als verkeersregels. Dat zeg ik altijd tegen mijn leerlingen als ik spelling behandel in de les. Of we 'word' of 'wordt' schrijven is namelijk een afspraak, net als de afspraak dat we voorrang geven aan verkeer dat van rechts komt. Regels zijn leerbaar, die kun je oefenen, stampen, je kent ze of je kent ze niet. Het Nederlands is wel een lastige taal, want 'jij wordt' is met dt, maar 'word jij' niet, om maar een voorbeeld te nemen. Toch vinden we 'jij loopt' en 'loop jij' niet lastig, dus ergens zit er nog wel een logisch systeem in. Er zijn echter ook taalregels met een onnodig complex systeem. Begrijp me niet verkeerd: het zijn regels en we moeten ons eraan houden (net zoals we rechts voorrang blijven geven), maar de regels maken het soms onnodig moeilijk. Daarom vijf taalregels die van mij linea recta de prullenbak in mogen.

1: De dat/als-constructie

Ik denk dat, als het regent, ik de auto neem naar het werk. Deze zin is fout: er zit een zogenaamde dat/als-constructie in. Dat wil zeggen dat het woord dat (of een soortgelijk woord) wordt opgevolgd door het woord als (of een soortgelijk woord). In de verbeterde vorm staat de als-zin achteraan: Ik denk dat ik de auto neem naar het werk als het regent. Dat/als-constructies zijn dus zinsbouwfouten, maar eigenlijk zijn ze heel logisch. Neem de zin hierboven. Je kijkt eerst of het regent en beslist daarna of je de auto neemt. Natuurlijk schrijf je dat dan ook in die volgorde in de zin. De volgorde van de zin geeft de volgorde van ons denken weer. In de spreektaal hoor je het voortdurend. Het is dan ook totaal onzinnig om dit als fout te beschouwen.

Ze zitten in ons systeem en je zult ze er niet zomaar uit krijgen, net zoals we rijden in Engeland (waar de verkeersregels anders zijn), ook lastig vinden.

2: Groter als/dan

Groter als? Nee, groter dan! Een van de meest bekende en hardnekkige taalfenomenen is het gebruik van 'als' in plaats van 'dan', wat als fout wordt gezien. In onze regelgeving staat dat we 'dan' gebruiken bij een ongelijkheid (groter dan) en 'als' bij een gelijkheid (even groot als) of in combinatie met 'zo' (twee keer zo groot als). Toch gebruiken veel mensen voor alle varianten als. Is dat iets nieuws? Zeker niet! In de zestiende eeuw kwam dit overvloedig gebruik van 'als' al op, maar die opkomst werd tegengehouden. Sterker nog: Vondel schreef 'als' in zijn werken, maar herschreef het later tot 'dan'. Het gebruik van 'als' wordt dus nu al vierhonderd jaar kunstmatig onderdrukt, terwijl elk natuurlijk dialect van Nederland (inclusief het onze) gewoon 'groter als' kent. Afschaffen die regel!

3: Sommige(n) (Ook wel bekend als de meest gecompliceerde taalregel uit onze taal)

Wanneer schrijf je sommige(n)/beide(n)/alle(n) enzovoorts nu met n en wanneer zonder n? Maak je klaar voor de meest gecompliceerde taalregel uit onze taal. Klaar? Goed: We schrijven alleen een n als het woord verwijst naar personen, dus de boeken staan beide in de kast, maar de agenten zitten beiden in de auto. Maar wacht, het wordt lastiger: deze n vervalt als het woord niet zelfstandig, maar bijvoeglijk gebruikt wordt: beide agenten zitten in de auto. Als je niet weet wat zelfstandig en bijvoeglijk betekent, is dat de reden waarom de zin onnodig lastig is. Maar wacht, hij wordt nog lastiger. Sommige zinnen hebben iets wat door de Taalunie een ‘schijnsamentrekking’ wordt genoemd (ik verzin het niet), bijvoorbeeld de zin: Veel agenten zitten in de auto, maar sommige niet. In die zin zou je het woord agenten achter het woord sommigen kunnen zetten: maar sommige (agenten) niet. Dan schrijven we ook geen n. Maar als er een punt staat vóór dit tweede deel van die zin, mag je nooit spreken van een samentrekking en schrijf je dus altijd een n: Veel agenten zitten in de auto. Sommigen niet. Volg jij het nog? Wederom een regel die onze taal onnodig lastig maakt. Weg ermee!

4: Hun/hen

De woorden 'hun' en 'hen' bestonden aanvankelijk naast elkaar bij wijze van dialectvariatie. Vanaf 1625 ontstond het idee om beide woorden een andere betekenis te geven, wat zeg ik, een andere naamval te geven: 'hun' werd derde naamval en 'hen' werd vierde naamval. Zo leek het Nederlands meer op het Latijn, een taal met veel prestige. De renaissance heeft onze taal dus niet eenvoudiger gemaakt. Maar 'hun' en 'hen' betekenden dus eigenlijk hetzelfde. In de negentiende eeuw is daaraan toegevoegd dat we na een voorzetsel (op, met, aan, van, door, enzovoorts) altijd 'hen' schrijven. Met andere woorden: het verschil tussen 'hun' en 'hen' is kunstmatig en door mensen bedacht en maakt de taal hierdoor wederom onnodig lastig. Waarom is dat verschil er überhaupt nog?

5: De (mede)klinkerdief

Tot, slot de meest onzinnige, maar ook de meest hardnekkige regel van dit rijtje: de klinkerdief. Op de basisschool leren we al dat het meervoud van boot boten is en het meervoud van kop koppen. Beide regels zijn zelfs twee van de vijf spellingsbeginsels waarop al onze spellingsregels zijn gebaseerd. Eigenlijk is dit echter heel onlogisch. Logischer zou zijn als we het meervoud van boot zouden schrijven als booten en het meervoud van kop als kopen. De oo is immers een lange klank en de o en korte. En dan hoef je ook die medeklinker niet te verdubbelen. Blijkbaar doen we het tegenovergestelde: we schrijven de oo-klank als een o en de o-klank moet dan maar gepaard gaan met een verdubbeling van de medeklinker. Die logica volg ik niet...

Deze laatste regel laat ook meteen zien hoe lastig het is om spellingsregels te veranderen of af te schaffen. Ze zitten in ons systeem en je zult ze er niet zomaar uit krijgen, net zoals we rijden in Engeland (waar de verkeersregels anders zijn), ook lastig vinden. Je kunt dat soort regels niet lukraak veranderen. Daarom denk ik dat als leerlingen deeze fouten maaken, het beeter is als ik hun afstraf als dat ik hun beloon.

Klik hier om je gratis in te schrijven voor Puik | Deel deze pagina: